Moedertaal

Pas als je eigen taal niet meer de enige taal in je leven is ga je nadenken over je moedertaal en wat die voor je betekent. Mijn ervaringen daarmee en gedachten en gevoelens daarover beschrijf ik in dit essay. Ik schreef het voor een essaywedstrijd van Nexus Connect. Het kreeg een eervolle vermelding van de jury.

I

De eerste keer dat ik me bewust werd van de beperkingen van mijn moedertaal was in het huis waarin ik opgroeide. Het was een normaal rijtjeshuis, niet heel groot en niet heel klein, met gele kozijnen en witte bakstenen. Een tuin op het westen met daarin een zandbak, een verplaatsbaar glijbaantje en mijn eigen moestuinplantenpot. Achterin stond een schuur voor onze fietsen en een poort die toegang bood tot de steeg, maar niemand gebruikte die behalve wij. De voordeur zat gewoon aan de straatkant en door die voordeur kwamen op een dag mijn oom en zijn nieuwe vriendin binnen.

Ik heb geen idee wanneer het was; of het ochtend was of middag of al tegen het avondeten. Het was licht, en volgens mij ook zomer, want ik herinner me een open deur naar de tuin. Maar die deur heeft in mijn kinderjaren zo vaak open gestaan – met een felgekleurd vliegengordijn ervoor – dat het ook een losse herinnering kan zijn die zich gezellig aan een ander heeft vastgeklampt. Ik weet niet eens of mijn zusje er al was, oftewel hoe oud ik eigenlijk was. Helaas, want het verschil tussen zes of zeven of acht lijkt me opeens cruciaal. Zoals dit voorval cruciaal was, zonder dat ik of een van de anderen dat wist, want het belangwekkende gebeurt het liefst terloops.

Ik stond klaar in de woonkamer om de gasten te begroeten. Naast mij mijn springerige broertje, mijn zusje sliep of zat in de box of was überhaupt nog niet op aarde. De deur ging open, een blonde lange man en een donkerharige kleine vrouw kwamen binnen. Ik verlamde. Want toen pas drongen de consequenties tot mij door van wat ik al die tijd had geweten: zij, met het vriendelijke en lachende gezicht, was Portugees en sprak dus Portugees, want mijn oom woonde in Portugal en ze hadden elkaar daar ontmoet. Ik sprak alleen Nederlands en had geen flauw idee welke woorden de tocht over de grote kloof tussen de nieuwe vrouw en mij zouden overleven. Dus ik stond daar, mond vol tanden, en liet het praten aan de anderen over.

Op dat moment verloor ik, in ieder geval bewust, de vanzelfsprekendheid van contact en de vanzelfsprekendheid van taal. Het was zonder twijfel niet de eerste keer, maar alle momenten dat ik, als hulpeloze baby, niet duidelijk kon maken waar ik behoefte aan had en in woede dan wel huilen uitbarstte, waren uit mijn geheugen verdwenen. Door dit voorval begreep ik voor de eerste keer écht dat ik Nederlands sprak en wat dat betekende. Dat ik een taal sprak die niet iedereen sprak en dat anderen een taal spraken die ik niet sprak en dat er nog meer talen waren en nog meer mensen en hoe ontelbaar veel gesloten maar ook te ontdekken werelden dat waren en hoe bijzonder en leuk en grappig en mooi en uitdagend en onbevattelijk dat was

(Dit dacht ik inderdaad allemaal zonder komma’s en zonder punt, want wie heeft er tijd voor een adempauze als de waarheid van de wereld zich aan je onthult? Ik had een moedertaal, begreep ik, eentje waar ik niet zelf voor had kunnen kiezen maar waar ik het altijd mee zou moeten doen en niets aan zou kunnen veranderen. Dat geldt voor zoveel meer in het leven – je familie, je verjaardag, de lengte van je armen en benen, de grootte van je neus – maar dat besef van mijn moedertaal trof mij als een bliksemflits.)

Mijn verstomming was nergens voor nodig, maar dat wist ik toen nog niet. Mijn oom en nieuwe tante hadden elkaar vanwege het Nederlands in een Portugees café leren kennen. Zij was net terug van een taalcursus in Vlaanderen – ze had na Engels en Frans zin in een nieuwe nieuwe taal – en ving het Nederlands op van mijn oom en zijn broer. Ze stapte op hen af, ze raakten aan de praat en bleven praten.

II

Zoals dat gaat met een net nieuw ontwikkeld bewustzijn: vanaf het bezoek van mijn oom en tante zag ik overal taal en vond ik niets meer belangrijker dan dat. Nederlands hoorde ik de hele dag door, sprak ik, schreef ik en las ik. Af en toe bereikten andere klanken mijn oren en die spitste ik dan: wat was dat? Vaak was het Engels en dan verloor ik mijn interesse, want Engels, dat had ik al begrepen, was de wereldtaal. Dat sprak iedereen en verstond iedereen, in ieder geval iedereen nog ouder dan de kinderen in groep 8, en dat vond ik vreselijk voor al die arme mensen met Engels als moedertaal. Zij zouden nooit in het buitenland een geheim gesprek kunnen voeren en zouden nooit de geïnteresseerde vraag krijgen welke taal ze spraken. Veel ergers kon ik me nog niet indenken. Maar soms had ik geluk en was het Frans, of Duits, of Spaans, of – jackpot -– een taal die geen van mijn ouders kon identificeren. En dan glunderde ik de hele dag.

Het was rond dezelfde tijd dat ik onverstaanbare woorden achter elkaar ging zeggen en mijn ouders probeerde te overtuigen dat ik een nieuwe taal had geleerd. Dan zei ik dat het Chinees was, want die taal spraken ze niet, dus hoe zouden ze dan kunnen weten dat het niet zo was? Verrassend genoeg konden ze dat toch; ze geloofden me eigenlijk nooit.

Op de middelbare school, waar vanaf het begin de talen het moesten afleggen tegen de exacte vakken, probeerde ik mijn talenliefde trouw te blijven. Voor zover dat ging zonder buiten de groep te vallen, want in die gekke eerste puberjaren komt de onverschilligheid van de groep zelfs boven liefde. Toch vergat ik niet: taal is oneindig. Er zijn ontelbaar veel woorden om te leren en te gebruiken en die woorden kunnen op oneindig veel manieren achter elkaar worden gezet. Er zijn altijd nieuwe zinnen mogelijk, nieuwe volgorden voor nieuwe gedachten. Woorden kunnen in een andere context of andere tijd van betekenis veranderen, en je kunt van ze houden vanwege hun vorm en betekenis of hun klank en herinnering, en ze haten om diezelfde redenen. Met taal kun je de werkelijkheid veranderen en tegelijkertijd geen deuk in een pakje boter slaan. Taal biedt bestaansmogelijkheid aan alles wat we niet kunnen zien, zelfs als er onenigheid is over de precieze betekenis. Zou liefde bestaan als we het niet konden benoemen? En het leven?

Waarschijnlijk wel, maar dan konden we er niet over praten.

III

Het duurde jaren voordat ik me opnieuw bewust werd van de beperkingen van mijn moedertaal, in het Parijse appartement waar ik een paar maanden woonde. Stukken kleiner dan het oude rijtjeshuis, zonder tuin of achterdeur, maar comfortabel en aan een boulevard met klinkende Franse naam. Kort daarvoor was ik in de Thalys gestapt – moedertaal in de zak, koffer in de hand – om een nieuwe taal en een nieuw leven te leren.

De Parijse bewustwording kwam niet, zoals eerder, als een bliksemflits, maar veel geleidelijker. Ik dacht al aardig wat Frans te spreken, maar stond toch bij de kassa te stamelen. Ik werd in het Engels geantwoord als ik een baguette bestelde en niet omdat de bakkerij moeite had Franstalig personeel te vinden. De frustratie over mijn onvermogen precies het woord te zeggen dat ik wilde zeggen, de nuance over te brengen die in mijn hoofd zonneklaar was of mijn gezicht in de plooi te houden als ik niet begreep waar iemand het over had, nam met de dag toe. Mijn oren verschrompelden als ik terug hoorde wat in mijn hoofd best aardig had geklonken. Ik botste meerdere keren per dag op misverstanden – soms zacht, soms hard – en ik voelde me beperkt omdat ik me niet meer kon uitdrukken. Hele delen van wie ik was stortten dagelijks in de kloof tussen mij en een willekeurige Parisien(ne). Alleen een slap, niet-grappig aftreksel haalde de overkant.

O, de ontspanning die ik voelde als ik na een lange vermoeiende dag weer even in het Nederlands kon communiceren. Soms was er een overgangsperiode van een paar minuten, waarin Franse woorden eerder naar voren sprongen dan hun Nederlandse broertjes of zusjes, maar daarna was het bad warm en kon ik weer mijn volledige zelf worden. Zachte, zoete vrijheid. Lang leve de gelijkgestemden, niet per se op politiek vlak of qua levensinstelling, maar stemmen die dezelfde taal kennen, en zonder moeite elkaar kunnen begrijpen en lachen en plannen maken.

Met elk ontspanningsmoment groeide mijn liefde voor mijn moedertaal. Waar de openbaring van jaren eerder zorgde voor een grote liefde voor alle talen, ontwikkelde zich nu een liefde voor een specifieke taal: het Nederlands. Niet omdat die taal objectief gezien de best mogelijke taal van alle talen is, of omdat de uitspraak zo fijn doet denken aan modder, molens en bier, maar omdat het míjn taal was. Zoals ook je moeder, partner of kind de beste en meest waardevolle is, om de simpele reden dat het die van jou is. Samen ben je compleet.

IV

Zoals dat gaat met liefde: de glans verbleekt met de jaren. De betovering verdwijnt en de overtuiging dat álles te overbruggen is, gewoon omdat je samen bent, wordt wankeler. Een gedeelde moedertaal bleek geen garantie meer voor begrip, was dat misschien ook nooit geweest, maar oogkleppen en roze brillen hadden even anders doen vermoeden. Online of tijdens kerstdiners spraken mensen dezelfde woorden maar zeiden niet hetzelfde als wat de ander dacht te horen. Ergens in de kloof stonden woorden gebroederlijk te roepen maar ze werden niet gehoord. Ik begreep dat taal een goede sleutel was, maar niet altijd genoeg om een ander te bereiken. Dat taal oneindig is en tegelijkertijd nooit toereikend, dat het een poging blijft, een poging die kan mislukken en in je gezicht kan ontploffen. Met een harde, harde knal.

Maar alles beter dan verstomming.