Taalboekentip: De oorsprong van taal van Sverker Johansson

Waarom praten apen en andere dieren niet en mensen wel? Mensen zijn toch ook dieren? Die vragen van Sverker Johanssons peuterdochter waren niet in één zin te beantwoorden maar hadden een heel boek nodig. Dat boek werd De oorsprong van taal. Waar, wanneer en waarom de mens begon met praten (2020, Meulenhoff).

Sverker Johansson, De oorsprong van taal

Of het helemaal zo gegaan is als in de inleiding beschreven wordt, betwijfel ik. Als taalkundige gespecialiseerd in de oorsprong van taal zal Johansson ook zonder zijn dochter dit boek hebben willen schrijven. Het boek is als een speurtocht terug in de tijd. In drie ongeveer even grote delen (‘Over taal’, ‘Over de oorsprong’ en ‘Over de oorsprong van taal’) neemt Johansson de lezer mee naar alle onderdelen die van belang zijn bij het beantwoorden van dé grote taalvraag: hoe is taal ontstaan?

Al in de eerste hoofdstukken maakt Johansson duidelijk dat hij geen alomvattend antwoord op die vraag zal kunnen geven. Sterker nog, de oertaal die aan de basis stond van alle talen op de wereld zal volgens hem nooit te reconstrueren zijn. Gesproken taal laat geen sporen na. We zullen het daarom moeten doen met indirecte aanwijzingen. Fysieke veranderingen in het strottenhoofd bijvoorbeeld. Kunst als teken dat oermensen in staat waren symbolisch te denken. Vuistbijlen als bewijs dat er informatieoverdracht plaatsvond van generatie op generatie – al is het daarbij de vraag of dat mondeling gebeurde.

Het boek is als een speurtocht terug in de tijd. In drie ongeveer even grote delen neemt Johansson de lezer mee naar alle onderdelen die van belang zijn bij het beantwoorden van dé grote taalvraag: hoe is taal ontstaan?

Fascinerend vond ik de hoofdstukken over de veranderingen bij de mens die vanuit evolutionair oogpunt heel negatief zijn. Door (noodzakelijke) veranderingen in het strottenhoofd is de kans om te stikken vele malen groter. Door veranderingen in het bekken hebben vrouwen bij het baren van hun kind hulp van anderen nodig. Ondanks deze nadelen heeft de mens zich als soort enorm kunnen ontwikkelen. Dat zegt iets over het enorme evolutionaire voordeel van taal. Het kunnen communiceren, ook buiten het hier en nu en direct aanwijsbare, bleek al snel van enorme waarde.

Johansson heeft zijn boek als een speurtocht opgezet, waarbij hij beetje bij beetje de benodigde puzzelstukjes aan de lezer geeft – en ook regelmatig puzzelstukjes laat zien die achteraf toch niet goed blijken te passen. Die speurtochtachtige opzet van het boek zorgde er op sommige momenten voor dat ik op het puntje van mijn stoel zat. Dan werd ik blij van een puzzelstukje dat paste omdat daarmee alles op zijn plaats viel. Maar op andere momenten stoorde de speurtocht me juist. Dan wilde ik liever weten hoe het zat zonder mijn weg te moeten vinden door alle voorbeelden en tegengestelde meningen van wetenschappers heen.

Duidelijke antwoorden?

Het laatste hoofdstuk, ‘Het web rond de oertaal’, voorziet in mijn behoefte aan duidelijkere antwoorden. Per deelvraag vat Johansson daar nog samen wat op dit moment de wetenschappelijke consensus is. Menselijk taalvermogen is geleidelijk ontstaan, al vroeg in onze ontwikkeling. De eerste taal bestond zowel uit woorden als uit gebaren, en was van begin af aan bedoeld voor communicatie. Maar heel veel blijft nog onduidelijk. Het echte antwoord op de vraag uit de ondertitel – waar, wanneer en hoe de mens begon met praten – moet Johansson dus schuldig blijven.

Dat neemt niet weg dat de nieuwsgierige lezer veel nieuwe en interessante ontdekkingen doet in De oorsprong van taal. En dat Johanssons nieuwsgierige peuterdochter kan haar hart ophalen. Een boek als antwoord op de zoveelste waarom?-vraag. Misschien moet ik dat ook eens proberen, in plaats van weer toevlucht te nemen tot ‘ik weet het niet, schattie.’


Sverker Johansson, De oorsprong van taal. Waar, wanneer en waarom de mens begon met praten. (2020, Meulenhoff)